Vlak voor ze in bed gelegd werd verzuchte ze nog: al die lekker brandweermannetjes… De agente en ik keken elkaar aan en vlogen om het snelst naar buiten. We konden elkaar niet aankijken omdat we de slappe lach hadden. Totaal onprofessioneel, maar echt, we konden niet anders. Nog nahikkend van de lach trok ik de deur van de tankautospuit open en trof een vijftal norse brandweermannen aan die het duidelijk niet zo naar hun zin hadden als ik…

Het was een zondagmorgen. Heel vroeg, zo vroeg dat ik nog lang niet van plan was geweest om mijn bed uit te komen. Maar ja, als de plicht roept en je pieper zich laat horen, dan sleep je je uit je warme bed naar een koude auto en uiteindelijk naar een koud bluspak.

We waren opgeroepen voor een assistentie politie. Die stonden ons al op te wachten en wezen naar een raam. Van een kroeg… waar inderdaad wel wat rook achter de ramen te zien was. Dus ik worstelde mijn bril af, een hoge druk straal meevoerend naar de voordeur. Ik had net mijn masker op mijn gezicht gedrukt, toen mijn maatje naast me stond. ‘Blus jij deze buitenbrand even?’ ik moet hem gek hebben aangekeken, maar hij had de oorzaak van de rookontwikkeling al buiten gezet. Iemand had de asbakken in de prullenbak geleegd en aangezien dat ding zo’n speciale deksel had was hij niet gaan branden, maar wel gaan roken.

Dat klusje was zo geklaard en ik rolde de straal terug op het voertuig. Dit was nog in de tijd van voor de warmtebeeldcamera’s (ja, zo jong ben ik nu) en we gingen op naverkenning. Simpel voelen met de hand en ervoor zorgen dat je hem niet verbrand is nog steeds een goed methode. Niks aan de hand. Metend met een CO meter gingen we het pand door en omdat we toch nog wat maten, moest er gelucht worden.

Mijn collega’s kregen de opdracht om boven de kroeg de appartementen te gaan verkennen en te gaan meten. Terwijl Jacco en ik druk bezig waren om de ramen open te zetten, hoorde we over de portofoon: ‘bevelvoerder… sh*t, kun je nu komen, nee, nee, nee!’ We keken elkaar even raar aan, maar ach, grote jongens. Terwijl we verder gingen met opruimen, had ik mijn ademlucht afgehangen.

Als een duveltje uit een doosje schoten er 3 agenten en de waterploeg uit een deur. Alsof de duivel ze achteraan zat! Mijn bevelvoerder riep me over de portofoon! Of ik NU wilde komen. De heren verschuilden zich heel snel achter de wagen en ik zag vanuit mijn ooghoeken gordijnen heftig heen en weer wapperen. Toen mijn bevelvoerder begon te vloeken, iets wat hij niet zo snel deed, heb ik er maar eens de sokken ingezet en ben snel naar de toegang van de appartementen gelopen.

‘Jij, met haar, naar boven. Ik kan er niks meer mee, maar terug ga ik niet!’ riep hij uit. De agente die ook was opgeroepen was net zo nieuwsgierig als ik. ‘Wat is daar aan de hand Fred?’ Ik kreeg geen antwoord. Samen met Yvonne begaven we ons naar boven, zaklampen in de aanslag. ‘Waar zijn die lekkere brandweermannetjes? Daar hou ik van!’ riep een vrouw van onbestemde leeftijd. Het feit dat ze een knalroze string, roze bontmuiltjes en een doorzichtig topje aanhad dat met haar gewicht niet echt flatterend was zal hebben bijgedragen aan de reactie van de collega’s. Nog voor ik het in de gaten had hing ze om mijn nek. Roepen dat ze op brandweermannetjes viel.

Yvonne voegde er nog aan toe: alleen lekkere dan mevrouw? Ik vertelde haar dat ik die voorkeur ook wel deel. Ze was op slag nuchter: ‘maar jullie zijn vrouwen!’ Inderdaad, het geeft niet, iedereen maakt wel eens een vergissing. ‘We werken alleen nog maar met vrouwen in het korps, mevrouw.’ Ze liet zich in elk geval weer in een niet al te schoon bed leggen. En terwijl we de deur zachtjes dicht deden, mompelde ze nog zachtjes na…